|
|
|
|
| 17 juli 2011 - zestiende zondag |
|
|
|
|
|
|
|
|
|||||||||||
|
Lezingen: Wijsheid
12,13-19
Wenst u de preken
thuis in uw elektronische postbus
te ontvangen?
U kunt
reageren
|
In elk geval bevat de parabel veel thema’s, maar als je er een samenvattende titel wil boven plakken, zou je kunnen zeggen: ‘Geduld in de groeitijd’. Of mag ik het iets actiever uitdrukken: ‘Mededogen als groeikans’. Daar wil ik iets over zeggen. Dat er onkruid en tarwe is, weten we allemaal. Onkruid en tarwe symboliseren hier het kwade en het goede, het negatieve en het positieve. Precies omdat het kwaad of, meer algemeen het negatieve, ons dreigt te overspoelen, en ook omdat we niet goed weten vanwaar het komt en waarom het er is, zijn we in paniek en proberen wij het zoveel mogelijk van ons af te houden. We leggen het buiten onszelf. De buitenstaander wordt de zondebok. Een vijand zaait het onkruid, de duivel is oorzaak van het kwaad. Of het kwaad is een straf van God voor de onverantwoordelijkheden van… de ander. Ecologische catastrofes worden vrijblijvend toegeschreven aan dé vervuiling, zonder het eigen aandeel daarin echt in rekening te brengen. Ik maak mezelf schoon, zuiver, door het vuil, de onzuiverheid, in de ander te leggen. Ik maak mezelf wijs dat ik onschuldig en goed ben, terwijl ik de schuld van het kwaad in de ander projecteer. Dat is een vorm van zelfbedrog die ook in groepen voorkomt. Wij de goeden, zij de slechten. En de gevaarlijke sprong naar actie is dan vlug gemaakt. Het is het ontstaan van de heksenjacht, de ketterverbranding, de fundamentalistische religieuze betweterij, de etnische zuiveringen, de korte metten, de excommunicatie. Men wil een zuivere groep zijn, waar de slechte elementen worden uit weggefilterd. Wat er verkeerd gaat in de samenleving wordt dan bij voorbeeld toegeschreven aan homo’s of vreemdelingen, of joden of moslims. Als we ons daarvan gezuiverd hebben, komt het weer goed. Laten we maar de hakbijl gebruiken. Ook in onze eigen kerk zijn er dergelijke stromingen. De heilige katholieke kerk heeft zich te veel aangepast aan de zondige wereld, zegt men dan, ze moet zich teweer stellen tegen die zondige wereld, en krachtdadig optreden tegen dissidenten van binnen. Beter voort te doen met de ‘echten’, de ‘zuiveren’… Maar zo simpel is het niet. Het kwaad ligt nu eenmaal niet eenzijdig in de ander, en het goed niet eenzijdig in mij. Er is geen tweedeling. Wij allen zijn een mix van goed en kwaad. Hier vinden de Jezusbeweging en het boeddhisme elkaar. Jezus zegt heel uitdrukkelijk: "Uit het eigen hart komen voort boze gedachten, moord, echtbreuk, diefstal, valse getuigenis en godslastering". Het kwade steekt in mij. De Vietnamese boeddhistische monnik Titch Nhat Hanh heeft daarover een indringend gedicht geschreven. Hij zegt hoe hij zichzelf herkent zowel in slachtoffers als in daders. Ik lees een stuk uit dat gedicht:
Als ik echt eerlijk ben, ervaar ik dus ook het kwaad in mezelf. Jezus roept me in zijn parabel op om meedogend te zijn ten aanzien van mezelf mét al mijn goed en mijn kwaad en ten aanzien van de ander mét al zijn of haar goed en kwaad. Schrijf niet onmiddellijk af, ruk niet uit, maar geef groeikansen. Leer geduldig te zijn met jezelf en met de ander, blijf van jezelf houden ook met je kwade kant, en laat elke dag opnieuw jouw goede kant jouw kwade kant genezen. Maak jezelf niet kapot door je enkel op jouw slechte kant te fixeren. Geef jezelf de mogelijkheid om te vallen en op te staan, om te leren van je mislukkingen. Als je dat kunt ten aanzien van jezelf, zal je dat ook ten aanzien van de ander kunnen. En hopelijk kan de ander dat ook ten aanzien van jou. Bemin je naaste als jezelf. Jezus in zijn parabel wijst erop dat je nooit genoeg mededogen en geduld kan hebben. Dat is precies Gods mentaliteit van mededogen, die we zo mooi beschreven vinden in de eerste lezing uit het boek Wijsheid: Gij God bestuurt ons met goedheid en oordeelt met zachtheid, Gij stemt ons hoopvol, en waar gezondigd wordt, biedt Gij de kans tot inkeer." God is hier het tegendeel van het inquisitorische zwaard.
Het onkruid tussen de tarwe niet onmiddellijk uitrukken
heeft dus alles te maken met mededogen. Mag ik dat nog wat concreter
maken? Voor Jezus is mededogen niet op de eerste
plaats een gevoel, een emotie in de zin van "Och here, ik heb
compassie". Mededogen, net als liefde, is iets van de wil, iets wat
je als het ware aan elkaar belooft, het is: actie ondernemen. Je laat
elkaar niet stikken in het kwaad, neen, je belooft elkaar trouw te zijn en
elkaar praktisch te helpen en te steunen in de strijd voor het goede,
zelfs als dat ingaat tegen eigen ‘korte-termijn’-belangen of tegen
spontane gevoelens. Het is daarbij belangrijk om je eigen kijk op dingen
en mensen te relativeren, om jouw kijk niet als een onveranderlijke of
absolute waarheid te zien. Die is mijn vijand. Die belichaamt het kwaad.
Die is oorzaak van alle ellende. Ik haat hem. Punt.
Ook hier kan het boeddhisme ons veel leren. Daar wordt
verteld hoe een vader de deur weigerde open te doen voor zijn eigen zoon,
omdat hij ervan overtuigd was dat zijn zoon dood was. Boeddha zegt:
"Als je je aan iets hecht als de absolute waarheid en je bent erin
gevangen, dan zul je, als de waarheid in levende lijve aan je deur klopt,
niet opendoen". Dus: laten we niet onlosmakelijk gehecht zijn aan
onze eigen beeldvorming over de ander, dan zullen we merken dat daardoor
evolutie mogelijk wordt.
Vervolgens zegt Jezus dat je de weg van het mededogen
wel móet inslaan, wil je de kringloop van het kwaad, de spiraal van het
geweld doorbreken. Het is een feit dat wanneer kwaad vergolden wordt, men
opnieuw gaat zoeken om de vergelding te vergelden en zo komt er nooit een
einde aan. Jezus zegt hier in feite dat wij de plicht hebben de zich
vermenigvuldigende wraak een halt toe te roepen. Er is geen andere weg.
Nog een laatste gedachte moet hier binnengebracht
worden, namelijk de gulden regel: doe aan een ander wat je ook aan jezelf
wilt gedaan zien. Je mag dat vertalen als: ik vind mijn eigen ‘ik’,
mijn ‘zelf’, mijn sociale, etnische, politieke identiteit even
belangrijk als dat jij jouw eigen ‘ik’, jouw ‘zelf’, jouw sociale,
etnische, politieke identiteit belangrijk vindt. Dat is zeker het geval
bij twee vijanden van elkaar. We moeten eerst luisteren welk belang de
ander hecht aan zijn ‘ik’, wat haar geschiedenis is, welk lijden en
welke pijn hij heeft te verduren gehad. Waarom hij zus of zo handelt. Het
vraagt dat wij ook ons ‘ik’ niet als een absolute waarde zien, maar
dat we ons als het ware naar elkaar moeten schikken.
Wij worden opgeroepen meedogend te zijn. Jezus brengt
dat in verband met Gods volmaaktheid. Wees volmaakt zoals uw hemelse vader
volmaakt is. Maar waarin bestaat die volmaaktheid? Niet in een of andere
soort van perfectionisme. Ze bestaat in mededogen, in de liefde die
lankmoedig en geduldig is, die het kwade niet aanrekent, die alles
verdraagt, alles gelooft en alles hoopt. Gods volmaaktheid ligt hierin,
dat Hij zijn vijanden bemint, hen zegent, hun goeddoet en tegenover hun
kwaad geen ander kwaad stelt. Daarvan leven wij allemaal. Daarvan leeft de
hele wereld, zelfs al weet ze het niet. God draagt en houdt alles in stand
omdat Hij hoop heeft voor elke mens. Gods volmaaktheid is zijn onmetelijk
geduld. Zijn Rijk, het koninkrijk der hemelen, is zijn onuitputtelijk
scheppende liefdeskracht. Daarop mogen wij hopen, nu al doorheen onze
strijd voor het goede, en definitief op het einde van ons leven. Daarop
mogen wij hopen op het einde van de wereld, als God alles in allen zal
zijn. Onkruid tussen de tarwe. We moeten leren naar elkaar kijken zoals
God naar ons kijkt. Het is misschien een
vakantie-opdracht om met al deze gedachten ook liefdevol naar onkruid te
leren kijken.
Bernard de Cock o.p. |