|
|
|
|
| 10 juli 2011 - vijftiende zondag |
|
|
|
|
|
|
|
|
|||||||||||
|
Lezingen: Jesaja
55,10-11
Wenst u de preken
thuis in uw elektronische postbus
te ontvangen?
U kunt
reageren
|
Om die handelwijze te begrijpen moeten we naar de situatie in het hoogland van Palestina gaan. De grond is er schraal en alleen geschikt om spelt te kweken, enkele bijenkorven te houden en wat geiten te hoeden die met wat weinig tevreden zijn. Eerst werd er gezaaid en daarna geploegd om zo het zaad in de aarde te krijgen, want eggen was in die harde, stenenrijke grond onmogelijk. Daarom zaaide men overal: op paadjes, op plaatsen waar onkruid en dorens stonden, want dat alles werd toch omgeploegd. Ik vermeld dit omdat het een eerste betekenis openbaart van wat Jezus wil zeggen. Hij gebruikt deze situatie van arme boeren en het beeld van het mateloze zaaien om te spreken over de groei Gods koninkrijk. Jezus verwachtte een nieuwe tijd van gerechtigheid en vrede en wilde allen die nu triest, gelaten of wrokkig aan de kant zaten moed en vertrouwen inspreken. Het Rijk van God zal groeien als graankorrels, die ondanks moeilijke omstandigheden ergens in goede aarde vallen en daar zoveel rendement geven dat het geheel toch hoopvol is. De weg, de rotsgrond, de vruchtbare aarde en de met brede gebaren strooiende zaaier zijn metaforen van een onmerkbare, stille groei van de eigenlijke levenskracht en de nieuwe gemeenschap die daaruit zou groeien. Is het toeval dat dit verhaal Jezus te binnen schiet als Hij door een arme nederzetting in het hoogland wandelt? Want waren het niet vooral de armen, die begrepen wat er stond te gebeuren en had Hij niet op de eerste plaats voor hen een bemoedigende boodschap? Jezus doet dit door twee verrassende dingen te zeggen:
iets over God en iets over de mens. Van God zegt Hij dat die er niet is
voor een kleine religieuze of etnische elite, maar als een milde, niet
rekenende zaaier, die overal en in alle omstandigheden zijn liefde
aanbiedt. God kijkt niet naar het verleden van mensen, Hij vraagt zich
niet af wat ze hebben gedaan en of ze waardig zijn. Hij kijkt niet naar
hun cultuur of huidskleur, zelfs niet naar de godsdienst die ze aanhangen. Tegelijk zegt Jezus met deze parabel iets over de mens. De mens kan als rotsgrond zijn, als goede grond maar overwoekerd door onkruid. Bij deze beeldspraak kan ik niet anders dan in mijzelf en om mij heen kijken. Hoe diep of verdiepend is mijn grond waarin het Woord terechtkomt? En hoe is mijn dagelijks leven: overwoekerd door allerlei onbenulligheden, door wat wij als Westerlingen menen dat onontbeerlijk is maar dat bij nader toezien toch overbodig blijkt? En nog: zou het kunnen dat anderen dit Woord plat trappen, dat ze een sfeer creëren waardoor je heel sterk moet staan om toch je eigen weg te gaan? Ik denk daarbij vooral aan jongeren en de beangstigende invloed die leeftijdgenoten, Facebook en andere dingen op hen hebben. Anderzijds heeft iedereen het sluimerende vermogen om als vruchtbare grond het graan van Gods spreken te horen en daardoor vruchtbaar te worden. Ook dit zijn beelden om te zeggen wat een waarachtige mens en gelovige moet zijn. We zijn geroepen om te horen, om één en al oor te worden voor een woord, een roep voorbij alle dingen. Onze diepere bestemming bestaat erin tot onze diepste grond door te dringen waar we enkel ontvangende leegte zijn. We worden uitgedaagd om ons te ontdoen van alle storende geluiden en te komen tot dat zuivere luisteren waardoor het Woord vruchtbaar wordt. Niet toevallig vergelijkt Jezus het Woord of de Blijde Boodschap met zaaigraan. In de Oudheid had men zoveel respect voor taal, voor gesprek en overleg dat het ondenkbaar was dat je iets belangrijks kon horen of beloven en daarna gewoon doen of er niets was gebeurd. Spreken en handelen vormden één eenheid. Wie echt luistert, wordt een ander mens. Wat hij in uiterste passiviteit verneemt, moet hij noodzakelijk volbrengen. Met de vruchtbare grond bedoelde Jezus dit echte luisteren in stilte met heel zijn persoon. Wie dit doet, kan niet anders dan rijke vruchten voortbrengen. Overgave en inzet horen in wezen samen. Dat was het Grote Nieuws dat Jezus boeide. Aan deze parabel heeft men na de dood van Jezus een stuk toegevoegd en in Jezus' mond gelegd om het op die manier meer gewicht toe te kennen. De situatie van de jonge kerk was immers sterk veranderd. De predicatie bleek niet zo wervend te zijn, christenen werden vervolgd, ook intern was het moeilijk om als bekeerde gemeenschap midden een multicultureel milieu te leven, zoals voor Matteüs het geval was. Vandaar dat zich een andere uitleg van de parabel opdrong. Opvallend is dat de oorspronkelijke vreugde om Gods houding wordt omgebogen naar een moraliserende toon. Het gaat nu over vele soorten mensen en de mentaliteit waarmee ze de Boodschap van de leerlingen ontvangen. Onbevangenheid en blijheid maken plaats voor een kerkelijke houding van vermanen. Het kan ons alleen maar erop wijzen hoe vlug een Blijde Boodschap aan kracht en zuiverheid moet inboeten en hoe we altijd moeten terugkeren naar dat eerste moment. Marcel Braekers o.p. |