|
|
|
|
| 26 juni 2011 -dertiende zondag |
|
|
|
|
|
|
|
|
|||||||||||
|
Lezingen: 2
Koningen 4,8-16
Wenst u de preken
thuis in uw elektronische postbus
te ontvangen?
U kunt
reageren
|
In de voordeur van veel huizen zit nu vaak een kijkgaatje, waardoor je wel van binnen naar buiten kunt kijken, maar niet andersom. Het is een typerend voorbeeld van een selectieve open deur. We willen zien wie we in huis halen. We willen wel gastvrij zijn, de privé-ruimte van ons huis staat wel open, maar niet voor eender wie. Het liefst voor mensen van onze eigen soort. Vreemde mensen en vreemde meningen houden we liever buiten de deur. Anders denkende en anders doende mensen zijn niet direct welkom. Ze zouden de manier van denken en doen die ons vertrouwd is kunnen verstoren. Het verhaal over de vrouw uit Sunem beschrijft hoe ver gastvrijheid kan gaan. Ze moest al iets gehoord hebben over Elisa de profeet. Het was niet uit nieuwsgierigheid dat ze hem inviteerde om bij haar te komen eten. Ze zag in hem een 'heilige man van God' en vond haar man bereid om in hun huis voor de profeet een comfortabele dakkamer in te richten. Opvallend is dat ze helemaal niet rekende op een tegenprestatie vanwege Elisa. Hij bood haar aan bij de koning of bij de legeroverste een goed woord te doen, maar ze wees dit af. Ze wilde hem niet lastigvallen met haar eigen problemen. Het is duidelijk waarom de liturgisten deze Schriftlezing voor vandaag gekozen hebben. In het evangelie staat: "Wie een profeet in huis opneemt, zal als een profeet beloond worden." Maar de meeste aandacht trekt de onthutsende uitspraak van Jezus die vooraan staat. "Wie meer van zijn vader of moeder of zijn zoon of dochter houdt dan van mij, is mij niet waard." Dat hij dit zei tegen zijn apostelen, kunnen we begrijpen. Als ze hem wilden volgen, moesten ze hun thuis en hun geliefden achter zich laten. Maar wat vangen hedendaagse lezers van het evangelie ermee aan? We moeten het verstaan in het licht van wat verderop staat over mensen gastvrij ontvangen. Om 'Jezus waard te zijn', om zijn wijze van leven na te volgen en zijn evangelie ter harte te nemen, moet je bereid zijn afstand te nemen van de mensen die je dierbaar zijn. Je zult los moeten komen van je 'vader en moeder', dit is van het verleden waarin je verankerd bent en je veilig voelt en niet alleen mogen luisteren naar hen van wie je altijd gelijk hebt gekregen. Je moet je leven durven verliezen om het te winnen. Het zwaartepunt van je leven buiten jezelf leggen. Lege ruimte scheppen, waar je plaats geeft aan belangen die groter zijn dan je eigen belangen, aan mensen die je nodig hebben. Wie daartoe bereid is, zal zijn leven 'redden': boven zijn bekrompenheid en beperkingen uitstijgen en volle zin en inhoud aan zijn leven geven. 'Jezus waard zijn' vereist dat je een profeet die zich aanmeldt gastvrij ontvangt. Het zal wel niet gebeuren dat we iemand aan de deur krijgen die zich een profeet noemt. Maar er willen misschien toch mensen bij ons binnenkomen die iets hebben van een profeet: mensen met een stoute mond, gelovige onruststokers, gelovigen met een visionaire boodschap. Zulke mensen moeten we in ons huis en ons hart toelaten. Maar niet alleen zulke mensen. Jezus wees ook naar 'deze geringe mensen': de mensen op de sukkel naar wie zijn hart uitging. In de greep van een kwade geest, melaatsen, kreupelen, doven en blinden. Het was een aansporing aan zijn leerlingen om zijn voorbeeld te volgen. Voor ons is het een oproep om in onze samenleving plaats in te ruimen voor mensen op de vlucht, voor menen die ontheemd zijn, nergens thuis en nergens welkom. Echt evangelisch geïnspireerd kunnen we ons maar noemen als we iets proberen te doen aan de grenzen en de prikkeldraad die mensen op zoek naar een veilige thuis op de dool jagen, als we helpen werken aan openheid en gastvrijheid voor mensen die 'van buiten' komen en anders zijn. Dit geldt niet in de laatste plaats ook voor onze kerk, met haar vele dogma's en wetten: dat we bijdragen tot gastvrijheid, openheid en dialoog met 'andere' christenen die een lastige maar oprechte visie hebben. R. De Brandt Veel inspiratie is geput uit Cees Remmers, Het woord doen, jaar A, Gooi & Sticht 2001, p. 105-107. |